We schrijven 1932. Ettore Bugatti zit in zak en as omdat zijn chef-d’oeuvre, de Type 41 alias de Royale, voor geen meter verkoopt. Het plan was om 25 exemplaren van de luxelimousine te bouwen, maar daar had de Grote Depressie van de jaren 30 een stokje voor gestoken.

Gevolg: nog maar zes Royales hadden een koper gevonden, terwijl Bugatti veel meer motoren had gebudgetteerd. De achtcilinder van 12,76 liter was bovendien zo fors dat hij in geen enkel ander model paste – zelfs de Rolls-Royce Phantom I, de gedoodverfde concurrent van de Type 41, had ‘maar’ een 7,7-liter grote zes-in-lijn aan boord.
TGV avant la lettre
Bugatti bleef evenwel niet bij de pakken zitten en zocht zijn heil op de ijzeren weg. Met goedkeuring van de Franse spoorwegen bouwde Bugatti 88 gestroomlijnde treinstellen, met telkens vier motoren uit de Royale. Daarmee haalde de Autorail een gemiddelde snelheid van 140 km/u, met een absolute uitschieter van 193 km/u tijdens een testsessie.

Het enige overgebleven exemplaar van de Bugatti Autorail is de presidentiële versie waarmee Albert Lebrun in 1933 trots de 372 kilometer van Parijs naar Cherbourg overbrugde in 3 uur en 15 minuten. Het gevaarte is te bewonderen in het treinmuseum van Mulhouse.

Zeker vermeldenswaardig is de bestuurderskoepel die boven het dak van de Autorail uitsteekt, om vanuit dezelfde positie in twee richtingen te kunnen rijden. In de cockpit van de Bugatti-trein springen vooral de vier toerentellers in het oog, samen met de ostentatieve brandstofmeters. Elk van de vier motoren verbruikt namelijk 1 liter per afgelegde kilometer, wat overeenkomt met een totaal van 400 l/100 km.

Razendsnel en supercomfortabel reizen, aangedreven door dikke motoren die je nergens anders vindt. Of hoe de Concorde al decennialang een zielverwant had op het spoor. Egenlijk belichaamt de Autorail ook de huidige kernwaarden van Bugatti, met het verschil dat ook je familie meereizen kon.