... of er hangt al bijna een fietser tussen onze wielen. Mijn immer oplettende blik zag de jongedame geen enkele aanstalte maken om te stoppen voor het nochtans donkerrode verkeerslicht, zodat mijn voet al van het gaspedaal was en bliksemsnel kon reageren. Het kind vergeet sorry te zeggen, want wat hebben auto’s eigenlijk in Antwerpen te zoeken? En heeft een fiets niet altijd voorrang? Jaja.
We nemen de Leien en zetten koers richting het ‘vlinderpaleis’, zoals toeristen het nieuwe gerechtshof soms noemen. Hoewel ik aandachtig naar ‘De Ochtend’ op Radio 1 aan het luisteren ben, vangen mijn trommelvliezen een geagiteerd geluid op. Ik kijk in de achteruitkijkspiegel en spot een blauwe gloed. Een ziekenwagen! Ik gooi me naar de linkerkant, op de rijstrook die eigenlijk bedoeld is om af te slaan, en vorm een corridor. Weer een leven gered. Wat een held, hoor ik mijn echtgenote denken.
Weer een leven gered. Wat een held, hoor ik mijn echtgenote denken.
Het wordt weer groen en ik neem mijn plaatsje in de verkeersstroom weer in. Of dat was toch de bedoeling, want een onverlaat schiet achter een andere auto vandaan en probeert me te blokkeren, een manoeuvre dat blijkbaar gepaard moet gaan met knipperende koplampen en woeste handgebaren – met middenvingers en al. Zelfs al heeft de jongeman-met-pet mijn heldhaftige stuurmanskunsten van 30 seconden eerder niet gezien, dan nog is zijn reactie ongepast.
Ik zou mijn schouders moeten ophalen, maar besluit mijn wapperende superheldencape eigenhandig te verbranden: ik ga aan het vloeken alsof alle klootzakken in het verkeer plots in die ene blauwe Audi A3 zitten. Het is niet netjes, zeker niet omdat er drie minderjarigen op de achterbank zitten.
Ik zou mijn schouders moeten ophalen, maar besluit mijn wapperende superheldencape eigenhandig te verbranden.
Mijn vrouw roept me terecht tot de orde. Kryptoniet. Natuurlijk probeer ik me te weren. Natuurlijk haalt dat niets uit. Ik zet de radio wat luider en luister nagrommend naar de immer interessante Jan Van Delm. De kilometers brengen raad, een fikse wandeling door de natuur later zijn we weer een happy family.
Het is al donker wanneer we Brussel achter ons proberen te laten. We staan voor het rode licht. In tegenstelling tot de meeste bestuurders die onze hoofdstad doorkruisen, laat ik genereus ruimte voor de warm ingepakte fietsers. Dat maar de helft van hen met werkende lichten rijdt, kan mijn hang naar heldendom niet stuiten. Opnieuw hoor ik een geluid. Er komt een tram wel érg snel aanrijden, steeds dichter en dus steeds luider bellend. Alsof ik in zijn weg sta. Maar ik kan nergens heen, want de voor mij bedoelde rijstrook die ik op dat moment aan mijn rechterkant ontwaar, staat propvol verkeerd geparkeerde wagens.
Mijn eega begint me aan te manen opzij te gaan, de kinderen reageren onrustig. De slecht afgestelde lichten van de met veel gepiep en ander misbaar afremmende tram kijken woest onze auto binnen. Ik duik alsnog opzij en het gevaarte mist mijn rechterspiegel op een haar. Toch heb ik het weer gedaan. We leven nu eenmaal in een maatschappij waar de klootzakken regeren.
We leven nu eenmaal in een maatschappij waar de klootzakken regeren.
Ik had me begin vorig jaar nochtans voorgenomen om me niet meer te laten opjagen in het verkeer, maar mijn rechtvaardigheidsgevoel is nu eenmaal sterker dan mijn zelfcontrole. En dan helpt het niet om wekelijks naar Brussel te pendelen, want daar is het echt n’importe quoi. Toch ga ik een nieuwe poging doen. Even tot tien tellen. Rustig in- en uitademen en weer verder. En als we met het gezin onderweg zijn, rijdt mijn vrouw. Of de verkeersveiligheid daarmee gediend is, durf ik momenteel niet te betwijfelen.